fbpx

Bijlagen

Bijlage 01 Kleding van de ruiter

Bij WeAllRide draag je kleding waarin jij je lekker voelt. Wedstrijdkleding is dus niet verplicht. Je moet natuurlijk wel aan de veiligheid voor jou en je paard denken. En we willen ook dat je paard lekker kan rijden. Daarom hebben we deze richtlijnen:

1.1 Een gecertificeerde veiligheidscap  is verplicht tijdens het rijden. De kleur mag je zelf uitkiezen.

 

1.2 Ook draag je rijlaarzen of mini-chaps. Welke kleur je maar wilt.

 

1.3 Een wedstrijduniform is niet verplicht, wel een correct trainingstenue. Denk aan een rijbroek, aansluitend shirt (mag kleine ondiepe v-hals hebben), net jasje of bodywarmer. De kleur bepaal je zelf.

 

1.4 Oordopjes, instructieset of andere communicatiemiddelen om in contact te staan met iemand anders zijn niet toegestaan. Er is natuurlijk wel iemand die het protocol voorleest en filmt.

 

1.5 Je mag bij ons met sporen rijden. Maar denk daarbij altijd aan het paardenwelzijn:

  • Sporen zijn van metaal,
  • De schacht moet recht of gebogen zijn, waarbij het middelpunt zich bevindt in het midden van de laars van de ruiter.
  • De spoor moet glad en stomp zijn.
  • Als de spoor aan het einde een ‘wiel’ bevat moet deze glad en stomp zijn waarbij deze vrij is om te draaien.
  • Metalen sporen met ronde plastic knoppen, ook wel impuls sporen genoemd, zijn ook toegestaan.
  • Dummy sporen, zonder schacht zijn ook toegestaan.

 

1.6 Je mag een zweepje gebruiken. Een dressuurzweep bij een pony mag maximaal 1.00 meter lang zijn en bij een paard 1.20 meter.

 

1.7 Ben je militair of politie en wil je graag in je dienstuniform rijden? Vinden we prachtig. Wel is een veiligheidscap verplicht tijdens je rit, ook als is dit geen onderdeel van het dienstuniform.

 

1.8 Je mag als ruiter met bodyprotector of airjacket rijden. Onder of over je kleding. Wat je wil. Bij slecht weer is een regenjas, regenkleding, speciale regenbroek of windjack ook prima.

 

1.9 Bij ons mag je met of zonder handschoenen rijdt. Rij je met? Let er dan op dat de binnenkant een gripvlak heeft, zodat de teugels niet zomaar door je handen kunnen glippen.

 

Bij WeAllRide bepaal je zelf wat draagt tijdens de proef. Uiteraard waarderen onze juryleden het als je er netjes uitziet. Maar het zal geen invloed hebben op de beoordeling. Soms kun je wel speciale prijzen winnen voor de best geklede combinatie.

Bijlage 02 Harnachement van het paard

Bij WeAllride bepaal je zelf met welk harnachement je rijdt. Uiteraard moet het wel veilig zijn en fijn zitten bij het paard.

2.1. Je mag zelf kiezen met wat voor zadel je rijdt. Wij kennen de volgende soorten:

  • Dressuurzadel
  • Springzadel
  • Boomlooszadel
  • Veelzijdigheidszadel

 

2.2 Je beugels zijn bevestigd aan het zadel met een veiligheidsclip. De beugelriemen kunnen boven of onder het zweetblad door lopen.

 

2.3 De beugels moeten voldoende ruimte zodat je voeten niet klem zitten.

 

2.4 Draagt je paard een trenshoofdstel, gebruik dan deze neusriemen:

– africhtingsneusriem
– rechte neusriem
– Mexicaanse neusriem
– gecombineerde neusriem
– gecombineerde keel/neusriem met enkele trens

Bij het gebruik van een gecombineerde neusriem met enkele trens is het toegestaan om zonder sperriem te rijden.

Zorg er wel voor dat de neusriem niet te strak zit, want dat is heel vervelend voor het paard en kan gezondheidsproblemen veroorzaken.

 

2.5 Vanaf de klasse ‘Zwaar’ is het bij de paarden toegestaan om met stang en trens hoofdstel te rijden, mits deze een Engelse neusriem of Engelse keel/neusriem bevat. Pony ruiters vinden we te jong om verantwoord om te gaan met stang en trens, dus niet doen.

 

2.6 Bitten dienen glad te zijn en horen geen scherpe randen te bevatten. Het deel van het bit dat op de lagen van de paardenmond rust bij de trenzen dient een dikte te hebben van minstens 1 cm. De minimum dikte voor bitten voor pony’s bedraagt ook 1 cm.

 

2.7. Bitten en stang en trens dienen van metaal of van onbuigzaam plastic te zijn. Deze mogen omwikkeld zijn met rubber of leer. De lengte van de scharen van de stang mag niet meer bedragen dan 10 cm. Als de stang een over de scharen glijdend mondstuk heeft, mag de lengte van de scharen niet boven de 10 cm komen als het mondstuk in de hoogste positie is. De diameter van het mondstuk van de (onderleg)trens moet zo zijn, dat dit niet pijnlijk is voor het paard. Een kinriempje of kinketting is toegestaan, zolang deze een kinketting beschermer van rubber of leer heeft. Ook een slobberriempje is toegestaan.

 

2.8 Het gebruik van bitringen, die zorgen voor een hefboomwerking, vinden wij niet paard-vriendelijk en zijn daarom niet toegestaan.

 

2.9 Bij het gebruik van een enkele trens mag je mondbeschermers gebruiken. Dit zijn gladde, rubberen bitringen.

 

2.10 Je kunt ook kiezen voor een bitloos hoofdstel:

  • Sidepull
  • Kaakgekruist
  • Kingekruist

Voor alle bitloze hoofdstellen geldt dat deze van leer moet zijn en de neusriem moet minimaal 2 cm breed zijn. Daarnaast mag er in de de kern van de neusriem geen metaal zitten. Gebruik je koorden bij de kaakgekruist of kingekruist hoofdstel, dan is het belangrijk dat de koorden minimaal een diameter hebben van minimaal 6 mm.

 

2.11  Voor de teugels die gebruikt worden geldt dat bij de reguliere ruiter gebruik mag worden gemaakt van dressuurteugels of springteugels. De teugels mogen voorzien zijn van stopjes of ander  grip verstevigend materiaal. Bij trens hoofdstellen of bitloos hoofdstellen, mag er gebruik gemaakt worden van maximaal 1 teugel.

 

2.12  Bij stang en trens hoofdstellen mag je 2 teugels (1 voor de stang en 1 voor de trens) gebruiken.

 

2.13  Ruiters met een lichamelijke beperking mogen een lus of handvat aan de teugel gebruiken.

 

2.14  We vinden dat een volwassen, reguliere ruiter geen slofteugels, martingalen, gogues of andere hulpteugels nodig hebben. We willen graag zien dat je jouw paard ongedwongen kan laten lopen.

 

2.15  Bij jonge ponyruiters ligt de nadruk op een correcte houding en onafhankelijke zit van de ruiter. Kinderen van 6 tot 8 jaar mogen van ons rijden met hulp van een bijzetteugel met flexibel tussenstuk (rubberring). Hierbij moet de pony het hoofd met zijn neus voor de loodlijn kunnen houden, zonder dat er druk op de hulpteugel zit.

 

2.16. Oogkappen, oorkleppen of elk ander hulpmiddel dat het oriëntatievermogen van het paard beperkt, denk aan een bontje om de neusriem, vinden wij niet paardvriendelijk en zijn niet toegestaan.

 

2.17   Het is voor de videojury lastig te beoordelen of de beenbescherming juist wordt gebruikt. Uit veiligheidsoverweging voor het paard is het dragen van beenbescherming daarom niet toegestaan.

 

2.18  Je mag het paard of pony zo aankleden als je wilt. Nepstaarten of staart extensions mogen bij ons allemaal, mits de nepstaarten geen metalen delen bevatten of extra gewicht bevatten. Het is niet verplicht om het paard of pony in te vlechten, maar de jury zal het wel waarderen.

 

2.19  Oornetjes? Prima. Welke kleur je maar wilt. Ook met geluidsvermindering. Wat niet mag: met een oornetje de ogen van het paard bedekken of aan de neusriem bevestigen.

 

2.20  Oordoppen in de oren van het paard vinden wij niet paardvriendelijk en zijn niet toegestaan.

Bijlage 03 Gangen

Bij de gangen letten we op de takt, de ontspanning, de aanleuning, de impuls, het recht-gericht zijn van het paard en, waar gevraagd, de verzameling. De takt en veerkracht door goed ruggebruik en het onderbrengen van de achterhand kunnen het cijfer beïnvloeden. Hierbij kijken we ook naar het vermogen van het paard om hetzelfde ritme en het natuurlijke evenwicht te behouden. Dit geldt ook tijdens én na een overgang van de ene naar de andere gang.

Stap

De stap kan bestaan uit verschillende variaties, namelijk de arbeidsstap, middenstap, uitgestrekte stap, verzamelde stap en vrije stap. De basis van de gang is de marcherende viertakt waarin het paard zich beweegt. Dit wil zeggen dat het paard zijn benen afwisselend en afzonderlijk van elkaar optilt en weer neerzet. Het is de bedoeling dat deze gang met souplesse wordt uitgevoerd. Dit wil zeggen dat de beweging van de gang door het hele lichaam van het paard hoort te vloeien.

De arbeidsstap

De arbeidsstap is een gang waarbij het paard zich regelmatig en actief, maar wel ontspannen, voortbeweegt. Hierbij hoort de stap gelijkmatig en doelgericht te zijn. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht en elastisch contact heeft met de mond van het paard, waarbij de aanleuning licht en constant is.

De stap verruimen

In de klassen ‘Basis’ en ‘Licht’ wordt gevraagd om de stap een paar passen te verruimen. Dit wil zeggen dat het paard zijn passen zichtbaar groter hoort te maken, waarbij de hals passend verlengd mag worden. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht en elastisch contact houdt met de mond van het paard.

De middenstap

De middenstap is een gang tussen de arbeidsstap en de uitgestrekte stap in. Hierbij hoort het paard de passen te verlengen, waarbij hij een actief en regelmatig tempo aanhoudt. Hij mag hierbij iets langer mag worden in de hals maar zal wel nageeflijk moeten blijven. Bij het verlengen van de hals is het niet de bedoeling dat de ruiter het ‘contact met de mond’ verliest, wat wil zeggen dat de teugels los komen te hangen. Het paard hoort de oefening ontspannen en voorwaarts uit te voeren.

De uitgestrekte stap

Wanneer de uitgestrekte stap wordt gevraag is het de bedoeling dat het paard zijn passen zo groot mogelijk maakt zonder te veel te versnellen en takt te verliezen. Souplesse moet aanwezig zijn en gewenst is dat het paard vrij en ruim voorwaarts stapt met zijn voorbenen waarbij de achtervoeten duidelijk de afdrukken van de voorvoeten voorbij treden. De hals mag verlengd worden en het hoofd mag meer naar voren gebracht worden. De ruiter mag hierbij niet het contact met de mond verliezen. Verder wordt van de ruiter verwacht dat hij licht en elastisch contact heeft met de mond van het paard

De verzamelde stap

Bij de verzamelde stap wordt het paard meer in de hand gesteld en beweegt hij zich energiek, krachtig en voorwaarts aan het bit.  Hij hoort opgericht te lopen waarbij het hoofd de loodlijn nadert. Het paard hoort hierbij achterbenen onder het lichaam te brengen waarbij het spronggewricht goed gebogen wordt. De passen van het paard horen kleiner te worden, maar wel actief te blijven. Van de ruiter wordt verwacht dat hij elastische, constant en gelijkmatig contact houd met de mond van het paard.

De vrije stap

De vrije stap is een gang waarbij de ruiter het paard toestaat om zijn hoofd en hals naar voren en naar beneden te brengen een minimale horizontale lijn. Het paard is hierbij ontspannen en in rust met een licht aanleuning.

De draf

De draf kan bestaat uit verschillende variaties, namelijk de arbeidsdraf, de middendraf, de uitgestrekte draf en de verzamelde draf. De basis van de gang is een tweetakt beweging waarbij het paard zich voorwaarts beweegt door het afwisselend neerzetten van de voor en achterbenen diagonaal tegenover elkaar. Linksvoor en rechtsachter worden tegelijk opgetild, net zoals rechtsvoor en linksachter. Hiertussen zit een zweefmoment waarbij geen enkel been de grond raakt. De draf behoort actief en regelmatig te zijn en hoort zonder aarzeling te beginnen.

De arbeidsdraf

De arbeidsdraf is een gang tussen de verzamelde draf en de middendraf. Het paard hoort zich hierbij voorwaarts te bewegen met gelijke en elastische passen, waarbij de achterhand actief is. Het gewicht van het paard hoort gelijk verdeeld te zijn over vier benen en het paard hoort in evenwicht te lopen. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht en elastisch contact heeft met de mond van het paard

De draf verruimen

In de klassen ‘Basis’ en ‘Licht’ wordt gevraagd om de drafpassen een paar passen te verruimen. Dit wil zeggen dat het paard zijn passen zichtbaar groter hoort te maken, waarbij de hals passend verlengd mag worden. Bij het verlengen van de hals mag de hals van het paard iets langer worden, waarbij het hoofd van het paard wat meer voor de loodlijn komt in vergelijking met de arbeidsdraf.

Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht, constant en elastisch contact houdt met de mond van het paard.

De middendraf

De middendraf is een gang tussen de arbeidsdraf en de uitgestrekte draf in. Hierbij hoort het paard de drafpassen te verlengen. Hij mag hierbij iets langer mag worden in de hals maar zal wel nageeflijk moeten blijven. Bij het verlengen van de hals is het niet de bedoeling dat de ruiter het ‘contact met de mond’ verliest, wat wil zeggen dat de teugels los komen te hangen. Tijdens de oefening zal het paard goed moeten reageren op de beenhulpen zal hij  van achter naar voren moet worden gereden. Hiermee wordt bedoeld dat het paard zijn achterbenen duidelijk onder zijn lichaam plaatst en hier de activiteit vandaan haalt.

De uitgestrekte draf

Bij de uitgestrekte draf wordt gevraagd om de passen van het paard zoveel mogelijk te verlengen, tot zijn maximale kunnen. Hierbij hoort het paard in evenwicht te blijven en niet op de voorhand te gaan hangen. Het paard hoort daarbij ook gebruik te maken van de stuwende, actieve kracht vanuit de achterhand. Bij de overgang terug naar de arbeidsdraf hoort het paard zich vloeiend op te vangen op de achterhand. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht en elastisch contact heeft met de mond van het paard.

De verzamelde draf

Bij de verzamelde draf is het de bedoeling dat het paard kortere, meer verheven, passen maakt dan in andere drafsoorten. Het paard beweegt zich lichtvoetig en met een opgerichte en naar boven gewelfde hals voorwaarts. De achterhand hoort meer onder te treden, doordat het paard de achterbenen meer gebogen worden en onder het lichaam worden gezet. Van de ruiter wordt verwacht dat hij een licht, elastisch en constant contact houd met de mond van het paard.

De galop

De galop bestaat uit verschillende variaties, namelijk de arbeidsgalop, de middengalop, de uitgestrekte galop, de verzamelde galop en de contragalop. De basis van de galop is een drietakt beweging waarbij het paard zijn benen als volgt neerzet in de linkergalop: rechtsachter, rechterdiagonaal, linksvoor, gevolgd door een zweefmoment. In de rechtergalop is dit: linksachter, linkerdiagonaal, rechtsvoor, gevold door een zweefmoment.

De arbeidsgalop

De arbeidsgalop is een gang tussen de verzamelde galop en de middengalop. Het paard hoort zich hierbij in evenwicht te bewegen, waarbij de sprongen voorwaarts en lichtvoetig bewogen worden. Belangrijk hierbij is dat de achterhand onder het lichaam worden gezet en zorgen voor de activiteit in deze gang. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht en elastisch contact heeft met de mond van het paard

De galop verruimen

In de klassen ‘Basis’ en ‘Licht’ wordt gevraagd om de galop een te verruimen. Dit wil zeggen dat het paard zijn passen zichtbaar groter hoort te maken, waarbij de hals passend verlengd mag worden. Bij het verlengen van de hals mag de hals van het paard iets langer worden, waarbij het hoofd van het paard wat meer voor de loodlijn komt in vergelijking met de arbeidsgalop. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht, constant en elastisch contact houdt met de mond van het paard.

De middengalop

Bij de middengalop zal het paard zijn sprongen zichtbaar groter moeten maken. Hierbij mag het paard iets langer worden in de hals, maar hij zal wel nageeflijk moeten blijven.  Bij het verlengen van de hals is het niet de bedoeling dat de ruiter het ‘contact met de mond’ verliest, wat wil zeggen dat de teugels los komen te hangen. Bij het rijden van de middengalop is het de bedoeling dat het paard van achter naar voren wordt gereden. Hiermee wordt bedoeld dat het paard zijn achterbenen duidelijk onder zijn lichaam plaatst en hier de activiteit vandaan haalt Bij het terugrijden naar de arbeidsgalop mag het paard niet ‘terug vallen’, wat wil zeggen dat hij de overgang terug ook vanuit zijn achterbenen moet maken. Hij moet dus net zo actief blijven als in de overgang naar de middengalop toe.

De uitgestrekte galop

Bij de uitgestrekte galop wordt gevraagd om de passen van het paard zoveel mogelijk te verlengen, tot zijn maximale kunnen. Hierbij hoort het paard lichtvoetig, ontspannen en in evenwicht te blijven en zijn kracht te halen uit de achterhand. Bij de overgang terug naar de arbeidsgalop hoort het paard zich vloeiend op te vangen op de achterhand. Van de ruiter wordt verwacht dat hij licht en elastisch contact heeft met de mond van het paard.

De verzamelde galop

Bij de verzamelde galop is het de bedoeling dat het paard kortere, meer verheven, passen maakt dan in andere galopsoorten. Het paard beweegt zich lichtvoetig en met een opgerichte en naar boven gewelfde hals voorwaarts. De achterhand hoort meer onder te treden, doordat het paard de achterbenen meer gebogen worden en onder het lichaam worden gezet. Doordat de achterhand meer gewicht gaat dragen wordt de voorhand lichter. Van de ruiter wordt verwacht dat hij een licht, elastisch en constant contact houd met de mond van het paard.

De contragalop

Als er in een proef contragalop gevraagd wordt is het de bedoeling dat het paard met opzet in de ‘verkeerde’ galop galoppeert. Dit wil zeggen dat het paard op de linkerhand in de rechtergalop galoppeert en op de rechterhand in de linkergalop. Hierbij mag het paard licht gesteld en gebogen zijn in de richting van de galop waar hij in zit. Het paard hoort wel in evenwicht te zijn en het juiste ritme en sprong te behouden.

Bijlage 04 Figuren

Van hand veranderen

Bij het van hand veranderen is het de bedoeling dat de rijbaan diagonaal worden overgestoken vanaf de eerste hoekletter na de korte zijde tot de hoekletter voor de andere korte zijde. Dit figuur kan ook gereden worden via een korte diagonaal. Dit kan vanaf de hoek tot de B of de E of andersom. Bij dit figuur is het van belang dan het paard op de rechte lijn ook daadwerkelijk recht blijft en zijn spoor blijft volgen.

Gebroken lijn

De gebroken lijn kan zowel een diepte hebben van 5 meter of van 10 meter. Hiermee wordt bedoeld dat het middelpunt van het figuur 5 of 10 meter van de hoefslag hoort te liggen. Als er een gebroken lijn van 10 meter wordt gevraagd ligt het middelpunt op de X. Het figuur hoort ingezet te worden in de hoek waarbij er met een rechte lijn naar gevraagde middelpunt gereden wordt. Op het middelpunt zal de ruiter het paard vloeiend om moeten stellen om vervolgens weer met een rechte lijn naar de hoefslag te lopen. Het paard hoort de gehele oefening in de juiste stelling te lopen en nageeflijk te blijven.

De volte

De volte 20 meter is een grote cirkel die bij A,C of bij E of B gereden wordt. De volte 10 meter wordt gereden zoals aangegeven staat in de proef. Een goede volte hoort rond te zijn en mag niet ovaal of ‘eivormig’ worden gereden. Let erop als de grote volte bij A of C wordt gereden, dat de hoeken niet op de hoefslag gereden worden. Het is hierbij de bedoeling dat de volte ten alle tijden rond is, waar die ook gereden wordt. Tijdens het rijden van de volte hoort het paard met de juiste stelling en buiging te lopen en wordt er verwacht dat hij de gehele oefening nageeflijk blijft.

De slangenvolte

De slangenvolte is een figuur dat bestaat uit halve voltes die verbonden worden door een rechte verbindingslijn.  De hoeveelheid bogen die gereden worden is afhankelijk van de hoeveelheid die in de proef gevraagd wordt. Dit kan zowel drie, vier of vijf bogen zijn. Tijdens het rijden van de verbindingslijn hoort het paard ook daadwerkelijk recht gesteld te zijn. Bij het rijden van de bogen wordt er verwacht dat de ruiter het paard vloeiend om stelt en met de juiste stelling en buiging loopt.

Door een S van hand veranderen

Een S wordt gereden door twee halve voltes van 10 diameter te verbinden door middel van een rechte lijn van één paardlengte. Het figuur wordt ingezet bij de E of de B waarbij de verbindingslijn zich bevindt op de A-C lijn.

De acht

De acht is een figuur die bestaat uit twee grote voltes van gelijke afmeting, die in het midden bij elkaar komen. De grootte van de acht die gereden moet worden, wordt aangegeven in de proeven. Bij het omstellen van het paard hoort het paard de juiste stelling en buiging te hebben. Ook is het de bedoeling dat het omstellen vloeiend gebeurt.

Linksomkeert en rechtsomkeert

De linksomkeert en rechtsomkeert is een figuur dat bestaat uit een halve volte tien meter die gevolgd wordt door een rechte lijn naar de hoefslag. In de proeven wordt aangegeven naar welke letter moet worden toe gereden.

Bijlage 05 Oefeningen

Halthouden en enkele passen achterwaarts

Waar moet je op letten?

Bij het halthouden is het de bedoeling dat het paard recht en stil staat. Hierbij mag hij niet op zijn voor- of achterhand leunen en moet hij in staat zijn om gelijk weer in actie te kunnen komen als de ruiter dit zou vragen. De jury wil graag zien dat het paard hierbij nageeflijk blijft, met het hoofd licht voor de loodlijn. De overgang naar het halthouden toe moet zo vloeiend mogelijk gereden worden, waarbij het paard actief blijft. Het halthouden mag niet gebeuren door harde of onvriendelijke teugel hulpen. Het is dus de bedoeling dat de ruiter vriendelijke korte hulpen geeft om de overgang tot stand te brengen. Verder is het tijdens de overgang de bedoeling dat het gewicht van het paard meer op zijn achterhand wordt gebracht door de voorwaartse bewegingen op te vangen.

Bij het achterwaarts gaan moet het paard zijn benen, die diagonaal tegenover elkaar staan, gelijktijdig optillen en weer neerzetten. Hij mag hierbij niet scheef achteruitlopen en hij moet zijn voeten hoog genoeg optillen zodat ze niet over de grond heen slepen. Het paard moet, net zoals bij het halthouden, de hele oefening nageeflijk blijven. Na het achterwaarts gaan is het ook de bedoeling dat het paard meteen weer naar voren gaat. Hij mag dus niet nogmaals halthouden na het achterwaarts gaan, maar moet gelijk weer naar voren. Als er wordt gevraagd om voorwaarts te gaan in draf of galop betekent dit dus ook dat het paard niet eerst een paar passen in stap mag maken voordat hij de gevraagde overgang maakt. Ook hierbij is het belangrijk dat het paard nageeflijk blijft en actief is.

Wijken voor het been

Waar moet je op letten?

Bij het wijken voor het been is het de bedoeling dat het paard opzij gaat en tegelijkertijd voorwaarts blijft gaan. De oefening wordt gestart op de A-C lijn en het paard zal zich zijwaarts bewegen naar de hoefslag toe. De benen aan de binnenzijde van het paard zullen zich kruisen met de benen aan de buitenzijde. Het paard hoort hierbij recht te blijven, maar mag wel met een lichte stelling lopen. De stelling is gericht naar de A-C lijn maar is minimaal. Het paard hoort tijdens de gehele oefening nageeflijk te blijven lopen en mag niet in hoofd-hals houding veranderen.

Kwart pirouette

Waar moet je op letten?

Bij de kwart pirouette is het, net zoals bij de hele en halve pirouette, de bedoeling dat het paard met zijn voorhand om de achterhand draait. Hierbij moet het achterbeen telkens in de takt van de galop worden opgetild en worden neergezet in de eigen voetafdruk of iets daarvoor. Specifiek bij de kwart pirouette mag deze iets ruimer gereden worden dan de hele of halve pirouette. Het paard dient te galopperen in de verzamelde galop, waarbij hij de achterbenen een kwart cirkel maken met een straal van twee meter. Hierbij mag het paard licht gebogen zijn en in lichte stelling lopen naar de kant waar hij naartoe draait. Het paard mag bij het draaien twee tot vier galopsprongen maken.

Hals strekken

Waar moet je op letten?

Bij het hals strekken is het de bedoeling dat het paard zijn hals geleidelijk naar voren en omlaag brengt tot voor de loodlijn. Het hoofd van het paard hoort zich hierbij ongeveer tussen boeg- en kniehoogte te bevinden. Het paard hoort de hand van de ruiter te volgen zonder dat hij de teugels uit de hand van de ruiter trekt. Ook mag het paard niet van tempo of regelmaat veranderen. Het oppakken van de teugels hoort vloeiend te verlopen, waarbij het paard ontspannen, nageeflijk en in het juiste tempo blijft lopen. Als het paard bij het oppakken zijn hoofd even omhoog brengt, maar hem daarna wel weer meteen laat zakken is dit niet erg.

Überstreichen

Waar moet je op letten?

Het überstreichen in galop is een oefening waarbij de ruiter zo’n drie tot vier galopsprongen de aanleuning tijdelijk verbreekt door beide handen ongeveer twee handbreedtes, over de manenkam, naar voren te brengen. Hierbij mag het paard niet van houding of tempo veranderen. Het paard mag wel zijn hoofd iets voor de loodlijn brengen. Na drie tot vier galopsprongen hoort de ruiter zijn handen weer rustig terug te brengen zonder hierbij het paard in de mond te trekken.

Schouderbinnenwaarts

Waar moet je op letten?

Bij het rijden van de schouderbinnenwaarts is het de bedoeling dat het paard op drie sporen gaat lopen. dit wil zeggen dat het buiten voorbeen en het binnen achterbeen op lijn horen te lopen. de voorhand van het paard is hierbij licht naar binnen gebogen met de juiste stelling en buiging. De stelling mag hierbij niet te overdreven zijn. Het is dus niet de bedoeling dat het paard met zijn hoofd helemaal naar binnen loopt. Bij het rechtstellen op de hoefslag zal de ruiter het paard weer in een rechte lijn moeten laten lopen. Als er na de schouderbinnenwaarts een volte wordt gevraagd hoeft het paard niet eerst recht gesteld te worden. De volte mag dan vanuit de schouderbinnenwaarts worden gereden. Het is wel belangrijk dat de oefening op de letters gereden wordt.

Travers

Waar moet je op letten?

Bij de travers is het de bedoeling dat het paard op vier sporen gaat lopen. Dit wil zeggen dat, vanaf de voorkant gezien, alle vier de benen zichtbaar zijn. Hierbij is de voorhand op de rechte lijn van de hoefslag en is de achterhand naar binnen gesteld en gebogen in de richting van de beweging. Het paard hoort hierbij de gehele tijd nageeflijk te blijven en in hetzelfde tempo door te lopen.

Appuyeren

Waar moet je op letten?

Bij het appuyeren hoort het paard een voorwaartse en zijwaartse beweging te rijden. Het paard hoort hierbij een lichte buiging en stelling te hebben in de richting waar het paard heen gaat. Bij deze oefening hoort de voorhand voor de achterhand te gaan terwijl het lichaam van het paard parallel blijft aan de lange zijde. De benen van het paard worden gekruist neergezet, waarbij de buitenbenen voor de binnenbenen worden gezet. De hoeveelheid buiging die gevraagd wordt is afhankelijk van de klasse. In de hogere klassen wordt meer buiging gevraagd dan in de lagere klassen. Bij het appuyeren is het van belang dat het paard zich draagt zodat hij een goede schoudervrijheid heeft. Bij zigzag-appuyementen hoort de ruiter het paard vloeiend om te stellen op het middelpunt. Daarbij hoort stelling en buiging aan beide kanten tegelijk te zijn. De oefening kan zowel in draf of galop uitgevoerd worden.

Keertwending om de achterhand

Waar moet je op letten?

Bij de keertwending om de achterhand gaat het erom dat het paard een zo klein mogelijke halve cirkel maakt. De oefening wordt uitgevoerd in stap en het is de bedoeling dat het paard met zijn voorhand om de achterhand heen draait. Hierbij wordt het binnen achterbeen, in het ritme van de stap, opgetild en weer neergezet op nagenoeg dezelfde plaats. Tijdens de gehele oefening hoort het paard met een lichte stelling en buiging te lopen, in de richting waar hij naartoe gaat.

 

De vliegende galop wissel

Waar moet je op letten?

De vliegende galop wissel is een wisseling die wordt uitgevoerd in het zweefmoment van een galopsprong. Dit kan een enkele wisseling zijn, maar deze oefening kan ook in een serie van vier, drie of twee sprongen of om de pas worden uitgevoerd. Het paard hoort de wisseling uit te voeren met voor- en achterbenen in hetzelfde zweefmoment. Belangrijk hierbij is dat het paard zijn balans en takt behoud. De achterhand van het paard hoort hierbij onder het paard te treden waarbij het paard opgericht en correct in de aanleuning blijft. Als een enkele galop wissel gevraagd wordt op de diagonaal, is het de bedoeling dat deze wordt uitgevoerd voordat het paard de hoefslag raakt. Als er eerst uitgestrekte galop of middengalop wordt gevraagd, moet het paard eerst worden teruggenomen naar een meer verzamelde galop, waarna hij de wissel kan maken. Hierbij mag het paard de hoefslag wel eerst raken voordat hij de wissel springt.

Dit reglement is intellectueel eigendom van WeAllride.org BV. Het is verboden om documenten, materialen, logo’s & merkvoering uit te geven in welke vorm dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van WeAllride.org BV. Daar waar onze reglementen niet in voorzien, volgen we het FEI reglement Dressage.